nieuws

Directeur Nevedi: ‘We gaan graag de samenwerking met de vleessector aan’

Industrienieuws 191

De mengvoerindustrie maakt gebruik van een uiterst nauwkeurige systematiek voor de borging van kwaliteit en veiligheid van grondstoffen. Daarnaast kunnen bedrijven precies laten berekenen wat de carbon footprint van een bepaald mengvoer is. Volgens Henk Flipsen, directeur van Nevedi, vormen die uitgangspunten een goed hulpmiddel voor de vleessector, maar tot zijn spijt wordt er nog weinig gebruik van gemaakt. Ook lijkt de sector weinig rekening te houden met de gevolgen van de vraag naar gen-tech vrije producten, zoals deze zich in omringende landen ontwikkelt.

Directeur Nevedi: ‘We gaan graag de samenwerking met de vleessector aan’
Henk Flipsen, directeur van Nevedi, gaat graag de samenwerking met de vleessector aan.

Het Europees beleid is voor de diervoederindustrie van groot belang, zegt Henk Flipsen, directeur van diervoederkoepel Nevedi. ‘Belangrijke punten zijn onder meer de antibioticaresistentie, het sluiten van kringlopen, voedselverspilling en milieuverantwoord produceren, waaronder het terugdringen van broeikasgassen en emissies. Deze onderwerpen spreken voor zich, maar kunnen door de verschillende lidstaten niet zomaar geïmplementeerd worden’, benadrukt hij. ‘Als je op het niveau van de individuele landen kijkt, dan zijn er in de lidstaten veel verschillende zienswijzen ten opzichte van de genoemde thema’s.’

Nederlandse bedrijven krijgen volgens Flipsen met alle verschillende opvattingen van de diverse landen te maken. ‘Wij zijn een exportland. Zeventig tot tachtig procent van ons vlees gaat in onderdelen de grens over. Daarom moeten Nederlandse vleesverwerkers keuzes maken. Het ene land wil dat er gecertificeerde, verantwoorde grondstoffen worden gebruikt, terwijl een ander land de voorkeur heeft aan regionaal geteelde grondstoffen. Daarnaast speelt ook de maatschappelijke perceptie in de verschillende landen een rol. Daarom houden onze bedrijven zeer nauwlettend in de gaten wat er op mondiaal en op Europees gebied gebeurt. Wij zijn daar echt koploper in.’

Conceptmatig denken

Technisch gezien is het goed om in de vleessector zo efficiënt mogelijk te produceren en dus te werken met een zo gunstig mogelijke foodprint, weet Flipsen. ‘Maar daarnaast spelen ook andere opvattingen een rol, zoals de manier waarop de dieren worden gehouden en het afnemend besef dat landbouwhuisdieren worden gehouden voor voedselproductie. Dit raakt aan de ‘verpersonificatie van het dier’. Deze twee standpunten zijn met elkaar in conflict. Hier moeten bedrijven goed over nadenken. Een oplossing is het conceptmatig denken, waarbij in bepaalde gevallen grondstoffen van ver weg en in andere gevallen van dichtbij worden gebruikt. Of waarbij de efficiënte dierlijke productie staat tegenover dierwelzijn in de definitie van duurzaamheid.’

Bij dit conceptmatig denken is een goede borging van groot belang, aldus Flipsen. ‘We willen transparant zijn en exact doen wat gevraagd wordt. Daarbij hoort dat we precies uit kunnen rekenen wat de carbon footprint van één kilo varkensvlees is. Fine tuning is op dit gebied heel belangrijk. Niet alleen in de voerproductie of bij de slachterij maar ook op de primaire veehouderijbedrijven. Boeren moeten precies weten welk genetisch materiaal de veehouder heeft gebruikt, welk voer en welke medicijnen de dieren hebben gekregen. Kortom: het hele management van de veehouderij moet via gedetailleerde data in kaart zijn. Een voorbeeld daarvoor is Pork from Holland. Een prima initiatief dat momenteel wordt uitgewerkt om data te verzamelen en een referentie vormt voor bestaande kwaliteitssystemen.’

SecureFeed

Volgens Flipsen kan de voersector hier uitstekend op in spelen. ‘Als in de richtlijnen van Pork from Holland wordt verwezen naar SecureFeed is automatisch de certificering van alle diervoeders via GMP+ international geborgd. De diervoederveiligheid is namelijk geborgd in de wereldwijde certificering GMP+ Feed Safety Assurance van GMP+ International. Dit is een mondiaal werkend kwaliteitssysteem, waarvoor alle toeleveranciers van grondstoffen voor het diervoer gecertificeerd voor moeten zijn. Momenteel zijn zo’n 16.500 bedrijven bij GMP+ aangesloten en verspreid over circa tachtig landen.’

Daar bovenop is in Nederland ook SecureFeed actief. ‘SecureFeed zorgt ervoor dat iedere grondstof en productmarktcombinatie aan een extra risicobeoordeling wordt onderworpen. Afhankelijk van risico vinden er aanvullende audits of bemonsteringen plaats. Als er twijfels bestaan over veiligheid kan SecureFeed direct ingrijpen. Als bijvoorbeeld een grondstof met een normoverschrijding wordt gedetecteerd, worden alle deelnemers van SecureFeed daarover geïnformeerd en in voorkomende gevallen ook verboden om die grondstof te verwerken tot diervoeder.’

Ook voor kleinere concepten is die borging heel belangrijk, vervolgt hij. ‘Denk bijvoorbeeld aan slachterijen die in samenwerking met een aantal varkensboeren of pluimveehouders afspraken maken over biologisch diervoeder dat ook eigen keurmerken kent via Skal of Stichting Milieukeur. In alle gevallen is het belangrijk dat er een goede controle is en kan worden ingegrepen als wettelijke normen dreigen te worden overschreden.’

De productie van GMO-vrije soja zal niet alleen hoge kosten met zich meebrengen, maar heeft ook een geweldige invloed op de logistiek van diervoederbedrijven.

Misvattingen

Bedrijven die met hun concepten de markt bedienen, moeten mee bewegen met de maatschappelijke vraag. Dat is soms lastig, weet Flipsen. ‘Ondanks de goede borging zijn er nog veel misvattingen zijn op het gebied van diervoeder. Er wordt natuurlijk veel gebruik gemaakt van soja en nog steeds denkt men dat Nederlandse diervoeders bijdragen aan illegale ontbossing. Daar is geen sprake van. Alle soja die in Nederland gebruikt wordt, is gecertificeerd overeenkomstig de Europese Soy Sourcing Guidelines. Deze guidelines zijn een referentie waartegen verschillende standaarden voor sojacertificering worden gebenchmarkt. Dit gebeurt onafhankelijk door het International Trade Centre dat aan de VN is gelieerd. Geen enkel dier dat Nederlands mengvoer met soja eet, draagt dus bij aan illegale ontbossing.’

De discussie die resteert, is dat er hier en daar wel legaal ontbost kan worden in sommige Zuid Amerikaanse landen. ‘Rond die situatie draagt de Nederlandse diervoedersector bij aan een dialoog om te bezien hoe legale ontbossing kan worden voorkomen dan wel gecompenseerd door herbebossing op andere plaatsen (zero-net deforestation). Indien illegale ontbossing plaatsvindt, moet de overheid daartegen optreden. Om hen daarbij te helpen, is het goed dat ook de Nederlandse overheid en enkele ngo’s hun steentje bijdragen aan deze dialoog.’
Ook de discussie rond fosfaat- en stikstofvrije kringlopen speelt een rol. ‘Steeds vaker wordt er gesproken over het sluiten van de mineralenkringlopen. Dat kan alleen als de veehouderij voldoende ruimte heeft om mest verantwoord te kunnen afzetten. De plaatsingsruimte in hectares landbouwgrond is in Nederland te klein. Daarom kan dat alleen als hoogwaardige mestverwerking plaatsvindt en mineralenconcentraten worden geëxporteerd naar plaatsen waar die nodig zijn.’

Life-cycle analysis (LCA)

Om juiste concepten te kunnen bieden, is het volgens Flipsen belangrijk dat vleesverwerkende bedrijven kunnen aangeven wat de carbon foodprint is van een bepaald stuk vlees. ‘Hiervoor zijn de life-cycle analysis (LCA) ontwikkeld, oftewel de levenscyclusanalyse van een product. Dit is een methode om de totale milieubelasting van een product te bepalen gedurende de hele levenscyclus, dat wil zeggen: winning van de benodigde grondstoffen, productie, transport tot en met het gebruik door de consument. Op het niveau van mengvoer kan via de beschikbare data (lca’s van de verschillende grondstoffen) worden berekend wat de footprint is.’

Dat is volgens Flipsen heel interessant voor de vleesindustrie. ‘Het gaat niet alleen over mengvoer maar ook over de ketenschakels erna. Het is vreemd dat de vleessector hier maar weinig gebruik van lijkt te maken. Ik vind dat een gemiste kans. Als de Europese vleessector er in gezamenlijkheid niet in slaagt om geharmoniseerde en geaccepteerde data te verzamelen om de footprint van verschillende vleessoorten te berekenen, dan raad ik individuele bedrijven aan om hier zelf mee aan de slag te gaan en contact te zoeken met veehouders en hun toeleveranciers. Er komt steeds meer vraag naar vlees met een lage footprint. Daar willen we als diervoerindustrie graag bij aansluiten, maar hiervoor is samenwerking met de vleessector nodig.’

GMO vrij

Ook op het gebied van GMO’s (genetically modified organisms) is actie van de Nederlandse vleessector nodig, vindt de directeur. Hij legt uit: ‘In landen als Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en Italië is er een toenemende vraag naar gen-tech vrije producten. Zo staat op steeds meer vleesverpakkingen in Duitsland vermeld dat het vlees gen-tech vrij geproduceerd is. Inmiddels hebben een paar grote retailers aangekondigd vanaf 2020 uitsluitend gen-tech vrije producten te willen gaan verkopen. Als dat in onze omringende landen gebeurt, dan is de kans groot dat het vraagstuk ook in ons land een grotere rol gaat spelen. Wij willen hierover graag met veehouders en hun afnemers zoals de vleesverwerkers in gesprek om samen te bekijken hoe we dit vraagstuk moeten inkleden. Zo zijn we ook met de melksector de uitdaging aangegaan en inmiddels zijn de meeste diervoederbedrijven klaar om GMO-vrij voer voor melkkoeien te leveren.’

De diervoederindustrie gebruikt meer dan driehonderd verstellende grondstoffen.

Flipsen wil in dit kader nog wel benadrukken dat de vraag naar gen-tech vrije grondstoffen – op het gebied van diervoeder gaat het hierbij vooral om soja- niets te maken heeft met de voedselveiligheid. ‘Veevoer met GMO voldoet aan alle regels en is uiterst veilig. Het is slechts de technologische toepassing waar tegenstanders bezwaar tegen hebben of er liggen principiële of religieuze argumenten aan ten grondslag.’

Grote uitdaging

De directeur voorziet dat het organiseren van een voldoende grote en ook nog betaalbare stroom diervoeder die gegarandeerd vrij is van transgene ‘verontreiniging’, nog een hele uitdaging wordt. ‘Hoe garandeer je GMO-vrije grondstoffen en waar vind je ze? De productie van GMO-vrije soja zal niet alleen hogere kosten met zich meebrengen, maar heeft ook een geweldige invloed op de logistiek binnen diervoederbedrijven. Als je op één bedrijf meerdere voersoorten verwerkt, dan zal het lastig zijn om 100 procent gentechvrij te produceren. De voorkeur gaat dus uit naar gespecialiseerde fabrieken voor gentechvrij. Als dat niet kan, is het de vraag hoeveel extra silocapaciteit nodig is om voorraden van dezelfde grondstof (GMO en non-GMO) naast elkaar op te slaan. Door de beperkte beschikbaarheid van non-GMO grondstoffen en tegelijk de stijgende vraag naar deze grondstoffen zullen de kosten toenemen.’

Er zouden alternatieven gebruikt kunnen worden voor soja, maar daar is Flipsen in beginsel geen voorstander van. ‘Diervoer bestaat bemiddeld voor 11 procent uit soja. Soja zorgt voor eiwit en sluit uitstekend aan bij dierlijke productie. Alternatieven, zoals luzerne of raapschroot, zijn niet alleen duurder, maar tegelijk minder efficiënt en daarmee technisch gezien minder duurzaam. Elk alternatief moet worden beoordeeld op alle effecten. Raapschroot bevat bijvoorbeeld relatief veel fosfaat.’

Tot slot benadrukt Flipsen het belang van een goede samenwerking met zowel het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties als de overheid. ‘Er komt een versnelling in de verduurzaming van de veehouderij. Dat is één van de conclusies van de Commissie Nijpels en zal naar verwachting ook een onderdeel zijn van het komend regeerakkoord. Als Nevedi willen we hier graag een bijdrage aan leveren. Maar daarnaast zijn ook de Research & Developmentafdelingen van bedrijven en onderzoeken van universiteiten van belang. Ook de vleessector heeft met de genoemde aspecten te maken. Vleesverwerkende bedrijven kunnen denken: ‘we weten het en we zien het wel’, maar veel beter is om te denken: ‘we weten het en we doen er wat mee. En daarbij gaan wij graag de samenwerking met de vleessector aan.’

Keuze in grondstoffen

De diervoederindustrie gebruikt meer dan driehonderd verschillende grondstoffen. Deze zijn onder te verdelen naar herkomst en gebruik in co-producten, primaire grondstoffen, mineralen, toevoegingsmiddelen en premixen, vetten en oliën en een categorie overige grondstoffen. Verreweg de grootste volumes bestaan uit co-producten en primaire grondstoffen. Pre-mixen zijn mengsels van toevoegingsmiddelen, zoals vitaminen, mineralen en spoorelementen. De gebruikte vetten en oliën zijn veelal van plantaardige oorsprong, maar ook dierlijke vetten die goedgekeurd zijn voor humane consumptie zijn te gebruiken. Er zijn inmiddels ook pilots met het toepassen van insectenvet. De keuze voor een grondstof met een bepaalde herkomst hangt samen met de nutritionele waarde, beschikbaarheid en prijs. De leden van Nevedi hebben bijvoorbeeld met elkaar afgesproken in een convenant dat alle soja alleen nog maar aangekocht mag worden als deze gegarandeerd duurzaam is volgens de FEFAC Soy Sourcing Guidelines. Ook alle gebruikte palmolie wordt duurzaam ingekocht.

Reageer op dit artikel